Plaatsing & nazorg

Om je Lalegno-vloer tot zijn recht te laten komen, is het belangrijk dat deze op de correcte manier geplaatst wordt. Uiteraard wil je ook de vloer zo lang mogelijk in topconditie houden en hem met de nodige zorg en toewijding behandelen. Als je een paar eenvoudige regels in acht neemt over plaatsing, bescherming, reiniging en onderhoud, zal je langer genieten van je prachtige parket.

En met de superieure onderhoudsproducten die Lalegno je aanbiedt, blijft je parketvloer als nieuw.

Vloerverwarming

Een Lalegno meerlagenparket is door zijn opbouw en samenstelling beter geschikt voor gebruik met vloerverwarming dan massief parket. Een parketvloer opgebouwd uit twee of meer lagen is immers stabieler dan een product uit één laag (massief hout). Het plaatsen van parket in combinatie met vloerverwarming dient te gebeuren door professionele parketplaatsers.

Is er een maximumbreedte of dikte voor de vloerplanken?

Strikte regels hiervoor bestaan niet. Brede planken zullen bij dezelfde procentuele verandering een grotere nominale beweging vertonen dan smalle planken, dus zullen ze ook een grotere voeg hebben bij krimp. Een goede leidraad is rekening te houden met de "slankheidsfactor" S (dit is de verhouding breedte/dikte van de plank). Wij raden aan om rekening te houden met een waarde tussen 8 en 11. Slanke vloerdelen (brede en dunne planken vertonen bij dezelfde beweging een hoger risico op vervorming dan minder slanke planken).

Vóór u overgaat tot plaatsing van het parket controleert u best zorgvuldig of aan alle voorwaarden voor een correcte plaatsing op vloerverwarming is voldaan.

Zorg voor een juiste vloeropbouw

Zorg ervoor dat de vloer op de juiste manier wordt opgebouwd en alle noodzakelijke vloerelementen bevat, in de correcte volgorde.

  1. Parket
  2. Dekvloer
  3. Wapeningsnet
  4. Verwarmingselement
  5. Vochtscherm
  6. Warmte- en/of akoestische isolatie
  7. Vochtscherm
  8. Draagvloer

Kies het juiste verwarmingssysteem

Bij plaatsing van een parketvloer op vloerverwarming is het zeer belangrijk dat de maximale watertemperatuur van het verwarmingssysteem beperkt wordt tot maximum 45°C.

Om redenen van thermisch comfort zorgt men er bovendien best voor dat de oppervlaktetemperatuur van de vloer (deze is niet gelijk aan de luchttemperatuur) niet hoger ligt dan 25°C (max. 28°C).

Laat de dekvloer voldoende uitdrogen

In geval van vloerverwarming en een cementgebonden dekvloer is de limietwaarde voor het massavochtgehalte maximum 2%. Bij een anhydrietgebonden dekvloer bedraagt het maximale massavochtgehalte 0.6%.

Let op de relatieve luchtvochtigheid

De relatieve luchtvochtigheid ter hoogte van het vloeroppervlak moet hoger blijven dan 45%.

Rekening houdend met de praktijk is het aan te bevelen de vloerverwarming te gebruiken als basisverwarming en deze te combineren met convectoren voor piekverwarming of voor snelle opwarming. Het is raadzaam de vloerverwarming enkel te gebruiken als hoofdverwarming in goed geïsoleerde gebouwen.

Volg de juiste procedure voor het aanzetten van de verwarming

Het verwarmingssysteem wordt na de plaatsing van de dekvloer traag en na de juiste wachttijd (afhankelijk van uw dekvloer) in werking gesteld. Het verwarmingssysteem mag nooit gebruikt worden voor de dekvloer voldoende droog is (zie ook "Laat de dekvloer voldoende uitdrogen"").

Men moet de watertemperatuur laten toenemen met 5°C per dag tot deze 45°C bedraagt, of tot de dekvloer een oppervlaktetemperatuur van 28°C heeft bereikt.

48 uur voor de plaatsing van het parket moet de verwarming afgezet worden of op zeer lage temperatuur worden gehouden. De oppervlaktemperatuur mag dan maximum 15°C bedragen, terwijl de kamertemperatuur niet lager is dan 18°C. Er moet aan beide voorwaarden voldaan zijn. Van belang is dat de voorwaarden bij plaatsing gunstig zijn en gelijkwaardig aan een 'normaal' binnenklimaat.

Pas 3 dagen na de plaatsing van het parket mag de temperatuur geleidelijk toenemen. De stijging van de warmwatertemperatuur moet beperkt blijven tot maximum 5°C per dag.

Zorg voor een correcte plaatsing van het parket

Omwille van de optimale warmteoverdracht van het vloerverwarmingssysteem naar de binnenomgeving dient de parketvloer gelijmd te worden.

Controleer vóór het verlijmen van het parket of uw parketlijm geschikt is voor gebruik met vloerverwarming. Thermohardende lijmen halen de beste resultaten met vloerverwarming en worden om die reden aanbevolen (in de praktijk is dat meestal een tweecomponent PU-lijm). Raadpleeg hiervoor uw Lalegno dealer. In de praktijk worden meestal zwevende plaatsingen gecombineerd met een akoestisch isolerende onderlaag. Dit is een cellulair materiaal met een bepaalde warmteweerstand (stilstaande lucht). Niet echt aan te bevelen in combinatie met vloerverwarming. Luchtlagen dienen zoveel mogelijk vermeden te worden omdat ze een warmte-isolerend effect hebben. Wanneer luchtlagen voorkomen zal dit het rendement van de verwarmingsinstallatie nog verlagen.

LET OP: Na het plaatsen van het parket op de vloerverwarming mag deze niet worden afgedekt met bijvoorbeeld tetrapak of andere materialen die niet lucht- en warmtedoorlatend zijn. Dit zorgt namelijk voor warmteophoping en zal onherroepelijk leiden tot onherstelbare schade aan de vloer (Lalegno schildersvlies is niet geschikt voor deze toepassing).

Opwarmingsprotocol

Voor, tijdens en na de plaatsing van het parket dient men een opwarmingsprotocol van het vloerverwarmingssysteem te respecteren. Bij alle systemen van vloerverwarming dient een opwarmingsprotocol te worden gevolgd. Een opwarmingsprotocol is een leidraad vanaf de eerste ingebruikname van het systeem tot na de afwerking en definitieve ingebruikname van de vloerverwarming. Voor parketvloeren is het echter steeds belangrijk de warmwatertemperatuur te beperken tot maximum 45°C. Bruuske variaties in temperatuur kunnen aanleiding geven tot blijvende schade aan het parket. Men dient evenwel steeds bepaalde criteria en eisen te respecteren m.b.t. maximale vloeroppervlaktetemperaturen (comforttemperatuur van 25°C (max. 28°C)) en temperatuurschommelingen (scheurvorming). Bij het niet in acht nemen van deze richtlijnen vervalt de Lalegno garantie.

Het Opwarmingsprotocol dient te worden ingevuld en bewaard. Omdat het aanbad aan vloerverwarmingssystemen groot is, wendt u zich best tot de fabrikant van het geplaatste systeem voor het passende opwarmingsprotocol.

Belangrijk: bij het uitschakelen van de installatie moet de procedure in omgekeerde volgorde worden gevolgd. Om temperatuurschommelingen zoveel mogelijk te voorkomen is het niet aan te raden de thermostaat 's avonds laag en 's morgens weer hoog te zetten.

Relatieve luchtvochtigheid en evenwichtsluchtvochtigheid

Evenwichtsluchtvochtigheid: 55% (±10%)

Evenwichtsluchttemperatuur: ± 20°C

Hout reageert op vocht, niet op warmte. Parket krimpt bij droogte en zwelt bij vochtopname. In tegenstelling tot de meeste andere materialen krimpt hout dus bij verwarming (door uitdroging). De houtvochtigheid past zich aan de omgeving aan: in een vochtig huis drukt het parket zich open en in extreme omstandigheden zal het bol komen te staan (hier is een ontvochtiger nodig), bij uitzonderlijke droogte daarentegen gaat het verder krimpen en ontstaan er kieren tussen de planken (daarom is het aan te raden om bevochtigingstoestellen te plaatsen in het stookseizoen). Verwarmen doet uitdrogen: in de winter zal het binnenskamers droger zijn dan in de zomer. Het parket extreem drogen voor de plaatsing is geen oplossing want dan is er risico dat het parket eruit klapt door extreme zwelling bij een vochtige zomer. Het is dus belangrijk om alle elementen die een rol spelen optimaal op elkaar af te stemmen.

Tenslotte dient men altijd rekening te houden met de meer uitgesproken extremen van relatieve luchtvochtigheid in zomer- en wintervoorwaarden zodat scheurtjes tussen de parketelementen nooit uitgesloten kunnen worden.

De parketplaatser informeert de klant hierover en geeft duidelijke gebruiks- en onderhoudsvoorschriften voor de vloerbedekking.

Conditionering van het te plaatsen parket

De houten vloerdelen moeten ten minste 48 uur in gesloten verpakking kunnen acclimatiseren op de plaats waar deze zal worden geplaatst.

Hout is een natuurlijk materiaal en kan bij verandering van temperatuur en vochtigheidsgraad krimpen of uitzetten. Het is daarom van groot belang dat het vloerverwarmingssysteem op de juiste wijze wordt bediend. Dit voorkomt blijvende schade aan de parketvloer.

Warmteweerstand

De warmte van de vloerverwarming wordt afgegeven aan de omgeving. Deze warmteoverdracht vindt plaats doorheen de ondervloer en vloerbedekking. De ondervloer met vloerbedekking heeft een vertragende werking op de warmteoverdracht die afhankelijk is van de isolatiewaarde van de materialen onder de vloerverwarming. Bepalend is de warmtegeleidingcoëfficiënt (Lambda (λ)) en de dikte van het materiaal. Deze weerstand kan men uitrekenen met volgende formule:

De warmteweerstand wordt uitgedrukt in R [ m².K/W]

 

De waarde R geeft het thermisch isolerend vermogen van een materiaallaag aan. De Materiaaldikte, in meter, wordt gedeeld door de Lambda (λ)- waarde. Hoe hoger de waarde hoe beter de isolatie.

Warmtegeleidingscoëfficiënt Lalegno Parketten: 0.14 (λ) W/mk

Warmteweerstand, R- waarden Lalegno Parket:

10mm Lalegno parket: 0.07 m2.K.W-1

15mm Lalegno parket: 0.11 m2.K.W-1

21mm Lalegno parket: 0.15 m2.K.W-1

 

Voor een goede warmteoverdracht worden de volgende grenswaarden aangenomen:

Als bijverwarming: 0,18 m2.K.W-1 (som van de warmteweerstand boven de warmte-afgifteëlementen)

Als hoofdverwarming: 0,14 m2.K.W-1 (som van de warmteweerstand boven de warmte-afgifteëlementen)

 

U kunt zelf ook combinaties uitrekenen door de warmteweerstanden (Rm-waarden) van de dekvloer + ondervloer, lijm en vloerbedekking bij elkaar op te tellen. Door deze te vergelijken met de toepasbaarheidsgrenswaarden kan men de keuze van het parket, de lijm of de ondervloer aanpassen.

 

Bereken zelf de maximaal haalbare warmteafgifte Q als volgt:

To= maximaal toelaatbare oppervlaktetemperatuur van de dekvloer onder het parket

Rc= warmtegeleidingsweerstand van de parketvloer

Tr= ruimtetemperatuur

Rl= warmteoverdrachtsweerstand = 0.083

 

Soorten vloerverwarming

Nat systeem (buizen onderaan in de dekvloer)

Bij deze vorm liggen de verwarmingsbuizen in de dekvloer (strijklaag). De vereiste theoretische geleidingsweerstand van de dekvloer moet tussen de 0.10 – 0.12m2 K/W liggen. Een belangrijk aspect is de dekking van de afwerklaag boven de verwarmingsleidingen. Deze dient minimaal 3cm te zijn in verband met de sterkte en warmtespreiding in de vloer.

Droog systeem (met elektrische weerstanden)

Bij deze vorm zijn er veel minder randvoorwaarden dan bij het nat systeem. Op de constructievloer worden isolatie/draagplaten van polystyreen of karton gelegd. Hierin worden warmtegeleidingsplaten aangebracht die zijn voorzien van goten waarin de kunststofverwarmingsbuizen worden gemonteerd. Deze verwarmingsbuizen worden daarna afgedekt met een afwerkingsvloer.

Elektrische vloerverwarming

Zwakstroomverwarming die wordt aangebracht in een dikke strijklaag of microbeton. Er bestaan ook systemen die in matten op de strijklaag worden gelegd. Hierbij kunnen er grote temperatuurverschillen ontstaan waardoor Lalegno parket niet geschikt is voor verwarmingssystemen van dit type.

Welke houtsoorten zijn geschikt?

Beuken en jatoba zijn nerveuze houtsoorten die niet toepasbaar zijn in combinatie met vloerverwarming. "Nerveuze" houtsoorten zijn vochtgevoeliger en vertonen sneller vervorming. Hout dient steeds kunstmatig gedroogd te worden tot een vochtgehalte dat in overeenstemming is met het binnenklimaat van het gebouw, d.w.z. 9 à 10% houtvochtgehalte.

Vloerkoeling

Vloerkoeling is een nieuwe mogelijkheid om een aangename binnentemperatuur te creëren. Bij vloerkoeling wordt er koud in plaats van warm water door de leidingen gepompt. Door koeling van het parket zal het houtvochtpercentage stijgen waardoor het hout uitzet. In dit geval dient er voldoende ruimte voor uitzetting gehouden te worden om schade te voorkomen. Tevens is het bij dergelijke installaties van belang dat er voorzieningen in de installatie zijn opgenomen die condensvorming voorkomen. Bij plaatsing op vloerkoeling vervalt de garantie en ligt de gehele eindverantwoordelijkheid bij de plaatser.